Bewijsrecht in het arbeidsrecht

Onder het oude ontslagrecht was het vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter kon beslissen zonder gebonden te zijn aan de wettelijke bewijsregels. Dat betekende met name dat partijen konden volstaan met het aannemelijk maken van hun stellingen.

Na de invoering van de Wwz is de Hoge Raad hiervan afgeweken door te bepalen dat ook in ontbindingsprocedures de wettelijke bewijsregels van toepassing zijn. Daardoor is het niet meer voldoende is dat feiten aannemelijk zijn, maar moeten feiten bewezen worden.

Wat is het verschil tussen een aannemelijk feit en een bewezen feit?

Als een feit aannemelijk is, dan doet de rechter uitspraak op de door partijen aangereikte informatie en staat de rechter geen nadere bewijslevering toe. Kenmerkend voor aannemelijkheid is daarom dat de rechter betrekkelijk snel tot een oordeel komt.

Als een feit bewezen is, betekent dit dat de rechter een redelijke mate van zekerheid heeft dat het betreffende feit zich heeft voorgedaan. Hiertoe kan de rechter nadere bewijsvoering, zoals het  horen van getuigen, het inschakelen van een deskundige of het in het geding brengen van nadere schriftelijke stukken, toestaan. Dit heeft vaak meer voeten in aarde.

Dat betekent dat zowel het oordeel dat een feit aannemelijk is, als het oordeel dat een feit in voldoende mate bewezen is, uiteindelijk berust op de rechterlijke waardering en afweging van de argumenten die door partijen over en weer zijn aangevoerd. Het enige verschil is hoe snel de rechter tot dit oordeel komt.